Hoe de Polen aarden in Nederland
Het aantal wantoestanden bij de huisvesting en beloning van Poolse werknemers blijft groot, maar toch stijgt het aantal Polen dat zich definitief in Nederland wil vestigen. Hoe zit dat? Een reportage uit het Limburgse Meterik.
Het is rustig in het Poolse winkeltje van Sylwia Browcel in Meterik. Een deel van de toegangswegen naar het Limburgse dorp – omringd door weilanden en bossen – is versperd na de storm, waardoor de Poolse arbeidsmigranten van buiten het centrum de winkel niet kunnen bereiken. Uitzonderlijk, zegt zij, want op alle andere avonden is de winkel ´s avonds van zeven tot tien vol met klanten op zoek naar Pools brood en Poolse worst. Ook het internetcafeetje in de winkel is populair. „Gisteren stond de rij tot buiten.”
Browcel is een van de Poolse arbeidsmigranten die na een aantal jaar seizoenarbeid in Nederland terugkeerden om zich voor langere tijd – ’misschien wel definitief’ – te vestigen. Het is een groeiende groep, blijkt onder meer uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. In 2005 waren er krap 40.000 Polen ingeschreven in Nederland. In januari 2010 waren dat er 77.000 (zie grafiek).
Sylwia Browcel ziet dat terug in haar verkoopcijfers: naast haar winkel doet ze ook goede zaken als leverancier voor supermarkten in de omgeving. Inmiddels hebben dertig winkels hun assortiment uitgebreid met Poolse producten om de groeiende groep Polen als klant aan te trekken. „En de teller loopt nog”, glimlacht ze.
Een opvallende stijging, gezien het rapport dat de arbeidsinspectie in juni presenteerde. Bij een grootschalig onderzoek in de champignonteelt kwam de inspectie ’veel wantoestanden tegen’. Oost-Europese werknemers werden onderbetaald en moesten grote bedragen neertellen voor huisvesting, eten en onderwijs. Ook maakten werknemers lange dagen die maar deels werden uitbetaald.
Reiner Brink kent de wantoestanden. Hij werkt bij het RCF Kenniscentrum Handhaving, dat met teams de huizen controleert waarvan bekend is, of waarvan wordt vermoed, dat er migrantwerkers gehuisvest zijn. „Wij werken onder meer samen met het UWV, de Belastingdienst, en de Sociale Verzekeringsbank, en kloppen met een team van mensen bij de huizen aan.”
Ook de brandweer gaat vaak mee met de controles. De woning wordt gecontroleerd op veiligheid en leefbaarheid, om te voorkomen dat de bewoners in gevaarlijke of onmenselijke situaties leven.
Verder krijgen de arbeidsmigranten een vragenlijst van acht A4’tjes. „Op die manier proberen we erachter te komen of de migranten worden uitgebuit. De bewoners mogen weigeren, maar in de praktijk gebeurt dat vrijwel nooit.”
Over de resultaten laat hij geen twijfel bestaan: in 100 procent van de gevallen is er wel iets mis. Wel geeft hij aan dat die resultaten op te delen zijn in twee groepen. „De overgrote meerderheid, 85 procent, heeft relatief kleine problemen. Bijvoorbeeld met vergunningen.” Een woonhuis in een normale woonwijk is bijvoorbeeld omgebouwd zodat er een groot aantal arbeidsmigranten in kan wonen. Officieel is dat huis dan geen woonhuis meer, zoals in het bestemmingsplan staat aangegeven, maar een logéhuis. Daar zijn andere vergunningen en voorzieningen voor nodig. „Wij zorgen dat de eigenaren, vaak werkgevers van de arbeidsmigranten, die vergunningen op orde krijgen. Te allen tijde proberen we ervoor te zorgen dat de bewoners niet de dupe worden van de fouten van de eigenaren.”
De overige 15 procent noemt hij schrijnende gevallen. Zoals de mensen die hutjemutje in een champignoncel wonen, zoals de arbeidsinspectie tegenkwam tijdens het onderzoek. „We liepen een keer tegen een groep Wit-Russen aan die voor kost, inwoning en 75 eurocent per uur moest werken.” Voor hen kan dat een betere optie zijn dan in het thuisland blijven, waar helemaal geen werk is en dus geen eten. „Maar wij vinden dat dit soort situaties niet mag bestaan. Dit valt onder mensenhandel en uitbuiting.”
De kern van de problemen ligt volgens hem in de multi-afhankelijkheid. „De werkgever is in veel gevallen ook huurbaas. Hij zorgt dat zijn werknemers ver van de bewoonde wereld worden gehuisvest waardoor ze afhankelijk zijn van zijn vervoer.” Kans om te klagen is er dan niet. Daarbij zijn de migranten vaak bang om uit de school te klappen, omdat het resultaat daarvan een enkeltje Polen kan zijn, waarbij het ticket in rekening wordt gebracht bij de migrant.
In de winkel van Sylwia Browcel weten ze precies wat er speelt. Bij het Poolse informatiepunt, dat vastzit aan de winkel, behandelen ze dagelijks tien tot vijftien gevallen. Daardoor is bekend welke bedrijven het slechtst met hun werknemers omgaan.
Een vrouw met zwarte krullen en een gele jas stapt de winkel binnen. Als een van de weinigen trotseerde ze de storm om vanuit de winkel een mail te sturen naar het thuisfront. Ze is werkzaam bij een van de beruchtste champignonbedrijven in de regio. Ineengedoken zit ze achter de computer. Het antwoord op de vraag of ze wil praten is een subiet en resoluut ’nee’.
Terwijl ze traytjes met kant-en-klare maaltijdsoepen uit het magazijn de winkel in sleept, vertelt Browcel haar ervaringen met Nederland. „In 2000 kwam ik voor het eerst hiernaartoe. Net als de meeste Polen hoopte ik geld te verdienen. Ik kon meteen beginnen met het inpakken van printers aan de lopende band, maakte dagen van zestien uur, sliep met tien man in een caravan en betaalde daar 10 euro per nacht voor.”
Daartegenover stond het loon. Ze kreeg 14 gulden per uur uitbetaald, wat voor Poolse begrippen een klein fortuin was. Het maandloon in Polen lag in die tijd rond de 150 gulden. „Daar had ik best zere handen voor over.”
Burgemeester Kees van Rooij vertelt in de kantine van het gemeentehuis van Horst aan de Maas, waartoe ook Meterik behoort, dat ook hij economische motieven als de belangrijkste reden ziet dat Poolse arbeidsmigranten in Nederland willen blijven.
Bron: www.trouw.nl

